EEG-onderzoek

Als de behandelaar vermoedt dat er bij u sprake is van epilepsie, zal er een EEG-onderzoek worden gedaan. Hiermee kan de diagnose epilepsie in veel gevallen worden bevestigd. EEG staat voor elektro-encefalogram. Bij dit onderzoek wordt de elektrische activiteit van de hersenen gemeten.

Bij een EEG wordt een aantal elektrodes op vaste plekken op de hoofdhuid bevestigd. Voor de registratie is het belangrijk dat dit heel precies gebeurt. Met hulp van een meetlint en een speciaal potlood meet de EEG-laborant precies af waar de elektrodes moeten komen.

Vaak spuit de laborant een geleidende pasta tussen de elektrode en de hoofdhuid. Daarmee kunnen de elektrische signalen vanuit de hersenen beter worden opgevangen. Het aandrukken van de elektrodes is niet altijd prettig, maar het doet geen pijn. Soms wordt gebruik gemaakt van ‘perslucht’, waarmee op de elektrodedopjes wordt geblazen om ze vast te plakken. Dit voelt een beetje koud aan en kan een sissend geluid maken.

Het onderzoek duurt meestal een half uur, soms langer.

Het EEG geeft informatie over de hersenactiviteit onder iedere elektrode. Op deze manier is te achterhalen waar de aanvallen beginnen en op welke wijze de epileptische activiteit zich verspreidt in de hersenen.

Tijdens een EEG vraagt de laborant u om een aantal handelingen uit te voeren, bijvoorbeeld de ogen te openen, of de ogen juist een tijdje gesloten te houden. Ook wordt er met een lamp gekeken of u gevoelig bent voor knipperend licht, zoals in bepaalde televisietoestellen.

Flitsgevoelig?

Als u inderdaad gevoelig blijkt te zijn voor knipperend licht wordt dit ‘flitsgevoelig’ genoemd. In dat geval is het belangrijk situaties te vermijden waarbij dergelijk knipperend licht wordt gebruikt (bijvoorbeeld tijdens filmvoorstellingen, of in de discotheek). Meestal betreft de flitsgevoeligheid alleen bepaalde frequenties.

Na afloop van het EEG haalt de laborant de elektroden weer van het hoofd. Dat gebeurt met water, en soms met een beetje aceton.

Filmopname

Soms wordt er gelijktijdig met het EEG een filmopname gemaakt. Bijvoorbeeld als onduidelijk is of bepaalde trekkingen door epilepsie worden veroorzaakt of niet. Door de filmbeelden te vergelijken met de EEG-opname kan de arts hier een uitspraak over doen.

De uitslag van het EEG

De uitslag van het EEG krijgt u meestal niet meteen. Een speciaal daarvoor opgeleide neuroloog beoordeelt het EEG (en eventueel de filmopnames). De behandelaar bespreekt daarna de uitslag met u.

Wat is er te zien op een EEG?

Op de uitdraai van een EEG ziet u een aantal horizontale lijnen. Elke lijn hoort bij één bepaalde elektrode, die op een bepaalde plek op de schedel is bevestigd. Van links naar rechts ziet u op elke horizontale lijn de tijd.
Het is normaal dat de lijnen volop in beweging zijn. Snelle en langzamere golven wisselen elkaar af.
U ziet hier een EEG met ‘piekgolfcomplexen’ (= pieken gevolgd door een trage golf). In het laatste geval spreekt men van ‘epileptiforme afwijkingen’.

Uitslag bespreken

Als uw arts aangeeft dat ‘het EEG goed is’, dan is het belangrijk te vragen wat dit precies betekent. Een ‘goede’ uitslag van het EEG hoeft namelijk niet te betekenen dat u géén epilepsie heeft. Het is belangrijk te beseffen dat het EEG een momentopname is: het geeft alleen informatie over het tijdstip waarop het EEG is gemaakt. Soms worden er op dat moment toevallig geen afwijkingen gevonden. En bij sommige mensen worden er nooit afwijkingen gevonden in het EEG, terwijl de diagnose epilepsie tóch wordt gesteld. Dit laatste gebeurt niet erg vaak.

Deze pagina delen