Als bij een kind de aanvallen niet goed onder controle komen, spreken we van een moeilijk instelbare epilepsie (MIE). De behandelaar zoekt dan uit of het kind kenmerken heeft die passen bij een epilepsiesyndroom. Bij een epilepsiesyndroom horen bijvoorbeeld:
- een bepaalde beginleeftijd
- bepaalde typen aanvallen en
- EEG-kenmerken (een EEG is een ‘hersenfilmpje’)
Heeft een kind een bepaald epilepsiesyndroom? Dan kan dat van belang zijn voor de behandeling van de aanvallen. Ook kan de arts dan beter voorspellen hoe de aandoening zich zal ontwikkelen.
Bij de helft van de kinderen kan geen syndroom worden vastgesteld. Bij deze kinderen blijven we spreken van moeilijk instelbare epilepsie.
U vindt hieronder informatie over West-, Lennox-Gastaut- en Dravetsyndroom. De overige syndromen volgen zeer binnenkort.
- West syndroom
- Lennox Gastaut syndroom
- Dravet syndroom
- Doose syndroom
- CSWS of ESES
- Landau Kleffner syndroom
- Othahara syndroom
- Aïcardi syndroom
De informatie over syndromen is, met uitzondering van Lennox-Gastaut- en Dravetsyndroom, afkomstig van de website kinderneurologie.eu. De EVN is
dr. Schieving, kinderneuroloog, zeer erkentelijk voor de medewerking. Op de website kinderneurologie.eu vindt u uitgebreidere informatie over deze syndromen en meer epilepsiesyndromen beschreven.



