Begrippen

Eiwitten

Vorm en functie van eiwitten

Eiwitten komen voor in dierlijke en in plantaardige weefsels, denk hierbij aan spieren, organen, het zenuwstelsel, botten en bloed van mensen en dieren. Ook planten bevatten eiwitten.

Eiwitten zijn noodzakelijk voor groei en instandhouding van het organisme. Verder zijn ze bijvoorbeeld als enzymen betrokken bij allerlei processen.

Weetje!

De naam eiwitten (ook wel proteïnen) wordt gebruikt voor specifieke chemische verbindingen die als gezamenlijk kenmerk hebben dat ze een stikstofmolecuul (N) bevatten.

Eiwitten kunnen worden onderverdeeld in subgroepen. Hierbij wordt gelet op de grootte, de vorm (structuur) en de functie. Voorbeelden van zulke groepen zijn: albumines en (immuun)globulines, keratines, collageen, haemeiwitten (in bloed o.a. hemoglobine) en caseïne (in melk).

Eiwitten zijn lange ketens die opgebouwd zijn uit aminozuren. Er zijn ongeveer 20 verschillende aminozuren. Het lichaam kan eiwitten uit voeding afbreken tot aminozuren en opnieuw opbouwen in een gewenste vorm. Het lichaam kan ook aminozuren omvormen tot andere aminozuren.

Eiwitten kunnen niet opgeslagen worden. Door alle mogelijkheden om eiwitten en aminozuren te veranderen ontstaat er bij gezonde personen niet snel een tekort aan eiwit. Er zijn echter een aantal aminozuren die het lichaam niet in voldoende mate zelf kan opbouwen. Deze aminozuren worden essentieel genoemd. Dat wil zeggen dat ze met de voeding moeten worden ingenomen. Wilt u hier meer over weten lees dan hier verder.

Gluconeogenese

Het lichaam kan eiwitten ook gebruiken als energiebron door er glucose van te maken. Dit gebeurt vooral bij ziekte maar ook tijdelijk wanneer er een tekort is aan koolhydraten en een overschot aan eiwitten. Dit proces wordt gluconeogenese genoemd.

Gluconeogenese is de reden dat men in het klassiek ketogeen dieet de eiwitinname beperkt tot de minimaal noodzakelijk geachte hoeveelheid. Deze wordt uitgedrukt in grammen eiwit per kg lichaamsgewicht per dag. (g/kg) Hoeveel dit is hangt bijvoorbeeld af van de leeftijd en de mate waarin het kind moet groeien.

Bij het modified Atkinsdieet is er geen beperking in de eiwitinname. Toch blijkt men daarbij in ketose te komen.

Welke voedingsmiddelen bevatten eiwitten?

Eiwitten in voeding komen voor in alle dierlijke producten zoals vlees, vis en gevogelte. Melk en andere zuivelproducten, kaas en eieren zijn goede bronnen van eiwit. In plantaardige voedingsmiddelen zit ook eiwit. Voorbeelden zijn brood en graanproducten, noten, bonen en linzen. Groentes bevatten ook eiwitten. In fruit is de hoeveelheid eiwitten meestal zeer laag.

In dierlijk eiwit zitten voldoende essentiële aminozuren. Bij plantaardig eiwit verschilt dat per product. Soja is het enige plantaardige product dat voldoende essentiële aminozuren bevat. Daarom moeten vegetariërs en vooral veganisten erop letten dat zij combinaties van plantaardige producten kiezen die samen voldoende essentiële aminozuren bevatten. Een bekende combinatie is bonen en rijst.

In een gemiddeld Nederlands voedingspatroon is de eiwitinname 12 -15 energieprocent. Dat is ruim voldoende om aan de dagelijks aanbevolen hoeveelheden te voldoen.

Bronnen:
Berg H. van den, Eiwitten, Informatorium voor voeding en diëtetiek, Voeding van de gezonde volwassene, Houten, 2007 (december 2006)
Voedingscentrum: http://www.voedingscentrum.nl/nl/zoek.aspx?query=eiwitten&ref=nl (april 2014)

Energie-procent

(andere gebruikte schrijfwijzen: energie% of en%)

Energieprocent is het percentage van het totaal aantal kilocalorieën van een (dag)voeding dat bestemd is voor een bepaalde energieleverende voedingsstof. Dat wil zeggen voor eiwitten, koolhydraten of vetten.

Voorbeeld: een voeding dient 1500 kcal te bevatten en het energie% voor vetten is 90 en%. Dat wil zeggen dat 0,9 x 1500 = 1350 kilocalorieen door vet geleverd moeten worden. De overige 150 kilocalorieen zijn dan voor eiwit en koolhydraten samen.

De diëtist stelt voor elk kind individueel vast wat de energiebehoefte is, hoe de verdeling over de voedingstoffen moet zijn en hoeveel gram dit per voedingsstof is. Binnen het klassiek ketogeen dieet en het MCT dieet wordt dit uitgedrukt in de ratio.

Ketonen

Normale energiehuishouding van het lichaam

Koolhydraten (suikers en melen uit bijvoorbeeld groente, fruit, brood, rijst, pasta, aardappelen, melkproducten, snoep en gebak) worden afgebroken tot glucose. In normale situaties zijn deze glucosemoleculen de brandstof voor het lichaam. Ze kunnen direct gebruik worden om energie te leveren of opgeslagen worden voor later gebruik. Glucose wordt onder andere als vet opgeslagen.

Wanneer er onvoldoende koolhydraten zijn kan het lichaam ook eiwitten en vetten afbreken en omvormen tot glucose. Dit gebeurt bijvoorbeeld ook bij ziekte.

Wanneer langere tijd geen glucose als brandstof beschikbaar is schakelt het lichaam over op vetverbranding. Dit kan al tijdens de nacht gebeuren wanneer er sinds de laatste avondmaaltijd geen koolhydraten meer zijn ingenomen.

Wat zijn ketonen en ketonlichamen?

Om vetten volledig te kunnen verbranden is een beetje glucose nodig. Wanneer dit niet aanwezig is, zoals bij het ketogeen dieet, ontstaan restproducten die gezamenlijk ketonen worden genoemd. De afzonderlijke deeltjes zijn ketonlichamen. Er zijn verschillen soorten ketonenlichamen: bèta-hydroxyboterzuur, acetylazijnzuur en aceton.

Wat is ketose, hoe wordt het gemeten?

Wanneer ketonen in het bloed aanwezig zijn spreekt men van ketose. De patiënt is dan “in ketose”. Hoe meer ketonen hoe dieper de ketose.

Ketonen worden gevormd in de lever en komen daarom in eerste instantie voor in het bloed. Wanneer de concentratie in het bloed stijgt probeert het lichaam overtollige ketonen af te voeren via de urine. Hierdoor kunnen ketonen zowel in het bloed als in de urine worden aangetoond.

In urine wordt getest op de aanwezigheid van acetylazijnzuur (aceto-acetaat). In bloed kan bèta-hydroxyboterzuur worden gemeten. Ook is het mogelijk ketonen aan te tonen in de adem. Dit is (nog) niet mogelijk in thuissituaties.

De hoeveelheid ketonen wordt meestal gemeten met behulp van ketosticks. Dit zijn strips die in de urinestraal worden gehouden, na 15 seconden kunnen ze worden afgelezen. De gewenste hoeveelheid is dan 3 – 4 plusjes op de stick. De hoeveelheid ketonen is dan 8-16 mmol/l of 80-160 mg/dl in de urine. Dit komt overeen met 2- 4 mmol/l wanneer de hoeveelheid ketonen in het bloedplasma gemeten zou worden.

In bloed worden ketonen gemeten met behulp van een ketonenmeter. Hiervoor is een vingerprik nodig, zoals bloedglucose meting bij diabetici. Er zijn diverse merken meters.

Ketonenmeting in de urine is minder precies maar ook makkelijker uit te voeren en goedkoper. Het kind hoeft niet geprikt te worden. Bovendien zijn de strips om ketonen in bloed te meten kostbaar (de kosten zijn ongeveer 3 euro per bepaling!) en worden ze niet door elke verzekeraar vergoed.

Wat is het verschil tussen ketose en ketoacidose

Ketose is de situatie die men wil bereiken binnen het ketogeen dieet. Wanneer het lichaam vetten verbrandt terwijl er onvoldoende koolhydraten zijn om die verbranding volledig te laten verlopen ontstaat een restproduct in het bloed, de zogenaamde ketonlichamen. In een bepaalde concentratie kan hierbij een anti-convulsief effect optreden, dat wil zeggen dat de aanvallen verminderen of wegblijven.

Keto-acidose is een ongewenste – zelfs levensbedreigende – situatie waarbij ketose optreedt terwijl er helemaal géén glucose beschikbaar is voor de lichaamscellen. Dit doet zich meestal voor in combinatie met een te hoge bloedsuikerspiegel bij diabetespatiënten wanneer er geen insuline is om de aanwezige koolhydraten (suikers) te verwerken.

Bij het ketogeen dieet is het aanbod van koolhydraten heel laag en in principe is er voldoende insuline aanwezig om schommelingen in de bloedsuikerspiegel op te vangen. Wanneer het kind te veel koolhydraten eet neemt de ketose gewoonlijk af omdat het lichaam weer terugschakelt van vetverbranding naar koolhydraatverbranding (Freeman, Kossoff 2007).

Koolhydraten

De naam koolhydraten wordt gebruikt voor bepaalde chemische verbindingen in plantaardige producten, sommige zuivelproducten en honing. Koolhydraten zijn opgebouwd uit koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen. Een bekende koolhydraat die we dagelijks gebruiken is de gewone tafelsuiker, in scheikundige taal sacharose genoemd.

Er zijn vele soorten koolhydraten. Chemisch gezien hebben ze ieder een andere verschijningsvorm. De bekendste zijn suikers en zetmelen. Bekende suikers zijn: glucose, fructose, lactose, sucrose of sacharose en maltose. De zetmelen worden vaak onderverdeeld in zetmeel en vezels.

Er zijn verschillende manieren om koolhydraten te ordenen. Wil u hier meer over weten klik dan hier.

Koolhydraten worden in het spijsverteringskanaal afgebroken tot glucose. Hoe dit precies verloopt en hoe lang dit duurt is ondermeer afhankelijk van het soort koolhydraat dat verteerd moet worden. Bij het modified Atkins dieet en de LGI therapie wordt gebruik gemaakt van de verschillen tussen de spijsvertering van diverse typen koolhydraten (zie hiervoor ook de uitleg over glycemische index.)

Glucose is de belangrijkste energiebron voor het lichaam. In een normaal voedingspatroon bestaat de voeding voor het grootste deel uit koolhydraten.

In welke voedingsmiddelen zitten koolhydraten?

In alle soorten groente, peulvruchten, aardappels en andere knolgewassen, rijst, granen, fruit, melk (alle soorten), melkproducten, sommige kaassoorten, honing. Producten die met suiker bereid worden zoals (fris)dranken, zoet broodbeleg en snoep bevatten veel koolhydraten. Producten die met zoetstoffen bereid worden kunnen ook koolhydraten bevatten. Zie hiervoor de uitleg over zoetstoffen. Koolhydraten zitten verder in alle producten die op basis van rijst, granen of meel bereid worden. Voorbeelden zijn brood, crackers, ontbijtgranen, koek, gebak, zoutjes.

Bij de bereiding van levensmiddelen wordt aan heel veel producten suiker of (zet)meel toegevoegd. Veel vleeswaren en alle gepaneerde producten bevatten koolhydraten. In kant- en klare producten of zakjes met soep, saus of kruidenmixen zitten meestal koolhydraten.

In Nederland worden vezels niet tot de koolhydraten gerekend. Ze worden apart genoemd bij de voedingswaarde van een product.

Bronnen
Priebe MG, Hagedoorn RE, Tabak S, Vonk RJ, Koolhydraten, Informatorium voor voeding en diëtetiek, Voeding van de gezonde volwassene, Houten, 2007
site van food-info.net, een initiatief van oa Wageningen University
site van het voedingscentrum

Ratio

In het klassiek ketogeen dieet wordt de verhouding tussen vetten aan de ene kant en koolhydraten en eiwitten samen aan de andere kant uitgedrukt in de ratio. Een ratio van 4:1 wil zeggen dat tegenover elke gram eiwitten en koolhydraten samen 4 gram vet gegeten moet worden. Hoe lager de ratio (3:1, 2:1) hoe minder vet ten opzichte van de koolhydraten en eiwitten. In een normale voeding is de ratio ongeveer 0,2:1.

De toegestane hoeveelheid kilocalorieën (kcal) wordt verdeeld over 3 maaltijden. Bij heel jonge kinderen worden meerdere maaltijdmomenten en een iets lagere ratio aangehouden.

Tussendoortjes binnen het ketogeen dieet bevatten geen of nauwelijks calorieën. In sommige gevallen is het mogelijk één kleinere maaltijd als tussendoortje te berekenen. De totale hoeveelheid calorieën per dag blijft wel gelijk. Per maaltijd moet de ratio en de verdeling van eiwitten en koolhydraten binnen de ratio gehaald worden. Het is heel belangrijk dat u zich houdt aan het voorschrift van de diëtist.

De diëtist berekent hoeveel energie, uitgedrukt in kcal, uw kind per dag nodig heeft. Hiervoor gebruikt zij onder andere informatie die u van te voren geeft over het normale eetpatroon van uw kind. Meestal vraagt zij u om hiervoor enkele dagen een eetdagboekje bij te houden.

De hoeveelheid energie is specifiek berekend voor úw kind. Onder andere de soort en frequentie van de epileptische aanvallen en overige handicaps worden hierbij meegewogen. Standaard tabellen over hoeveelheden energie voor een kind van een bepaalde leeftijd zijn niet geschikt om te bepalen hoeveel energie uw kind nodig heeft.

Supplementen

Door het volgen van het ketogeen dieet kunnen tekorten ontstaan in vitamines, mineralen en sporenelementen. Deze stoffen worden tezamen ook wel micronutriënten genoemd. Van deze voedingstoffen hebben we per dag maar weinig nodig, minder dan 1 gram, maar toch zijn ze van groot belang omdat ze zijn betrokken bij vele processen in het lichaam.

Wanneer er een tekort ontstaat aan deze voedingsstoffen kunnen ziekten ontstaan. Daarom is het van belang om deze voedingsstoffen aan het dieet toe te voegen, in de vorm van zogenaamde voedingssupplementen. Vooral voor kinderen is dit uitermate belangrijk omdat zij nog in de groei zijn.

Als een kind het ketogeen dieet volgt worden meestal de volgende supplementen voorgeschreven:

  • een vitaminepreparaat
  • calcium(kalk)preparaat
  • carnitine

Wat is de functie van vitamines en welke voedingsmiddelen bevatten ze?

Hieronder een opsomming van de belangrijkste vitamines en hun functie.

  • vitamine B1 zorgt voor vrijmaken van energie uit koolhydraten en zorgt daarnaast ook voor goede werking van het zenuwstelsel. Komt voor in brood en graanproducten, aardappelen, groente, vlees en vleeswaren, melk en melkproducten. Door een tekort aan vitamine B1 kunnen psychische afwijkingen ontstaan, zoals depressie, concentratieproblemen en geheugenverlies, gevoelloosheid in de benen, hartklachten en spierverlamming.
  • vitamine B2 (riboflavine) is belangrijk voor de stofwisseling en zit vooral in melk en melkproducten, maar ook in vlees, vleeswaren, groente, fruit, brood en graanproducten. Een tekort aan vitamine B2 kan huidafwijkingen bij de mond, tong en de neus (ontstekingen) veroorzaken.
  • vitamine B3 helpt mee aan de energievoorziening van het lichaam en zorgt voor de aanmaak van vetzuren in het lichaam. het lichaam maakt het zelf aan uit het aminozuur tryptofaan. In voedingsmiddelen komt het voor in vlees, vis, volkorengraanproducten, groente en aardappelen. Een tekort aan vitamine B3 kan huidaandoeningen, scheurbeuk, diarree of dementie veroorzaken.
  • vitamine B5 zorgt voor de energievoorziening van het lichaam, met name door het vrijmaken van energie uit vetzuren. Vitamine B5 beïnvloedt ook de opbouw en afbraak van eiwitten en vetten uit de voeding. Het komt voor in vlees, eieren, volkorenproducten, peulvruchten, melk- en melkproducten, groenten en fruit.
  • vitamine B6 speelt een belangrijke rol in de stofwisseling. Het zorgt voor de opbouw en afbraak van aminozuren en is van belang voor eiwitopbouw. Daarnaast zorgt het voor de afweer, groei, bloedaanmaak en het zenuwstelsel. Het komt voor in vlees, eieren, vis, brood, graanproducten, aardappelen, peulvruchten, groenten, melk- en melkproducten. Een langdurig tekort leidt tot bloedarmoede, zenuwaandoeningen en verminderde weerstand.
  • vitamine B8 is van belang voor een gezonde huid en gezond haar en speelt een rol bij de vorming van vetzuren in het lichaam. Het komt voor in eieren, lever, melk, noten en pinda’s. Een tekort aan vitamine B8 kan huidafwijkingen, bloedarmoede, depressies veroorzaken.
  • vitamine B12 zorgt voor de aanmaak van rode bloedcellen en het zenuwstelsel. Het komt uitsluitend voor in dierlijke producten zoals vlees, vleeswaren, vis, melk- en melkproducten.
  • vitamine C is betrokken in een groot aantal processen in het lichaam. Een daarvan is de opname van carnitine. Daarnaast zorgt vitamine C voor de vorming van bindweefsel en wondgenezing. Het heeft werkt als een antioxidant, wat van belang is als bescherming tegen hart- en vaatziekten. Vitamine C komt voor in fruit, groente en aardappelen, in koolsoorten, citrusfruit, kiwi’s, bessen en aardbeien.
  • vitamine D is één van de weinige vitamines die door het lichaam zelf wordt aangemaakt: dit gebeurt onder invloed van zonlicht. Daarom is het van belang om regelmatig buiten te zijn! Vitamine D is van belang voor de botaanmaak. In de voeding komt het voor in vette vis zoals paling, haring, zalm, makreel en bokking. Ook vlees, volle melkproducten en eieren bevatten vitamine D, maar aanzienlijk minder dan in vette vis. Voor kinderen is een verhoogde behoefte aan vitamine D voor de botaanmaak. Door een te kort aan vitamine D kan botontkalking ontstaan. Vitamine D3 is in tabletvorm verkrijgbaar (AOV). De aanbevolen hoeveelheid per leeftijd staat onder aan in de tabel aangegeven.
  • vitamine E zorgt voor de stofwisseling in de cellen. Het komt voor in melkproducten zoals zonnebloemolie, dieethalvarine, dieetmargarine, brood, graanproducten, noten, zaden, groenten en fruit. Vitamine E is gevoelig bij verhitting. Het is als supplement verkrijgbaar en wordt aan voedingsmiddelen toegevoegd.
  • vitamine K wordt in de dikke darm aangemaakt en heeft een belangrijke rol bij de bloedstolling en mogelijk voor de aanmaak van botten. Het komt voor in groene bladgroenten, maar ook melk en melkproducten, vlees, eieren, granen, groenten en fruit bevatten vitamine K. Door een tekort aan vitamine K kunnen bloedingen optreden.

Wat is de functie van kalk en welke voedingsmiddelen bevatten kalk?

  • Kalk, ook wel calcium genoemd, zorgt voor de botopbouw en speelt een rol bij de bloedstolling en transport van onder andere natrium, kalium en magnesium. Door een tekort aan calcium kan botontkalking optreden. Calcium komt in de voeding voor in melk- en melkproducten.

Wat is de functie van carnitine en welke voedingsmiddelen bevatten carnitine?

  • Carnitine is een ammoniumzout en komt van nature in alle weefsels van het lichaam voor. Het wordt met behulp van vitamine C voornamelijk in de lever en de nieren gemaakt uit het aminozuur lysine. Carnitine is een hulpstof bij de verbranding van lange keten vetzuren. Het is vooral in de hersenen werkzaam en zorgt voor het transport van lange keten vetzuren naar mitochondriën van de cellen.
  • Daarnaast werkt carnitine als antioxidant en heeft een beschermende werking tegen hart- en vaatziekten. (Whitney 2006, p. 331, 337)
  • Een tekort aan carnitine (carnitinedeficiëntie) is een risicofactor bij het ketogeen dieet. Zeker bij het klassiek ketogeen dieet waar veel langeketen vetzuren worden gebruikt is relatief veel carnitine nodig. Er kan dan gemakkelijk een tekort ontstaan, zeker als er daarnaast ook nog depakine wordt gebruikt als anti-epilepticum.
  • Een tekort aan carnitine kan in de spieren en in andere organen zoals de lever en nieren voorkomen. In de spieren kan in de kinderjaren spierzwakte optreden. Een verhoogd risico op nierstenen en metabole acidose (verzuring) kan het gevolg zijn. Daarom is het van belang om tijdens het dieet carnitine in de vorm van tabletten te slikken. (Kossoff 2008)
  • In de voeding komt carnitine in vlees en vis. Met name lams-, schaap en rundvlees bevatten veel carnitine. Hoe roder het vlees hoe meer carnitine erin zit.
Weetje!

Als een kind niet goed in ketose komt (of blijft) kan het geven van carnitine de sleutel tot succes zijn. Er zijn veel ervaringen van ouders die deze observatie bevestigen. Vaak beginnen kinderen op de carnitine ook (weer) te groeien. Er zijn zelfs mensen die zeggen dat carnitine is voor het ketogeen dieet wat insuline is voor mensen met suikerziekte ….

Waar te koop

Supplementen zijn in drogisterijen, natuurwinkels en apotheken te koop.

Uw diëtist adviseert over een geschikt supplement, de behandelend arts schrijft het supplement en een calciumpreparaat voor. Bij het klassiek ketogeen dieet en het Modified Atkins Dieet (MAD) kan het gebruik van carnitine gewenst zijn. Dit wordt ook door de arts voorgeschreven.

Geschikte supplementen

Het supplement dient koolhydraatvrij te zijn. Verder is het afhankelijk van de samenstelling hoe compleet het multivitaminepreparaat is en hoe groot de dosering moet zijn. Het is van belang dat de nutriënten in opneembare vorm in het preparaat zitten.

Vergoeding

Over het algemeen wordt het multivitamine preparaat niet vergoed door de zorgverzekeraar. Calcium en carnitine, mits op recept, worden wel vergoed.

Supplementen bij het ketogeen dieet

Ervaring met supplementen?

We horen graag uw ervaringen en tips!

Multivitaminepreparaten

Orthobasis

Orthobasis is een koolhydraatvrije multivitamine/mineralen van AOV voor kinderen in de leeftijd van 4-14 jaar. Het is voor de verbetering van de algemene lichamelijke conditie van het kind en ter aanvulling van tekorten aan micronutriënten in de voeding.
Hulpstoffen: vulstof (microkristallijne cellulose), antiklontermiddelen (silicium dioxide, magnesium stearaat, stearinezuur), verdikkingsmiddel (natrium zetmeel glycolaat), glansmiddel (hydroxypropyl methylcellulose), kleurstof (titaan dioxide). Niet toegestaan voor kinderen jonger dan 1 omdat de hoeveelheid vitamine A en D volgens de warenwet te hoog is voor zuigelingen.
Verkrijgbaar bij de apotheek.
Voor productinformatie klik hier. [link]

One Daily (AOV)

One Daily is een multivitamine/mineralen supplement dat zodanig is geformuleerd dat de inname van een tablet per dag voorziet in een adequate aanvulling van micronutriënten. Elke tablet bevat hooggedoseerde essentiële vitamines en mineralen (waaronder hoge doses chroom, molybdeen en selenium). Bovendien bevat deze formule zowel ijzer als koper. Dit supplement is niet geschikt voor kinderen jonger dan 1 jaar. Dit is een verplichte richtlijn volgens de Warenwet. Dit heeft met name betrekking op de vitamine A dagdosering in de multivitamine die krachtens de wettelijke bepaling niet voldoet aan de doseringseisen voor zuigelingen.

Verder zijn er nog andere soorten multivitamine van A-Z complete en Natufit Multi verkrijgbaar in drogisterijen, supermarkten, natuurwinkels en apotheken. Ook bij het gebruik van supplementen is advies van een deskundige van belang.

Calciumpreparaten

Om bij het ketogeen dieet toch aan de calciumbehoefte te voldoen worden de volgende preparaten gebruikt.

Calcichew

Calcichew is een calciumsupplement ter behandeling en preventie van osteoporose (botontkalking) en calciumdeficiëntie. Deze supplementen zijn verkrijgbaar in kauwtabletvorm met een dagdosering van 500-1000mg. Het is voor kinderen en volwassenen verkrijgbaar in kauwtabletvorm met een dagdosering van 500-1000mg.

Cacit

Cacit is een calciumcarbonaat en wordt gebruikt ter bestrijding van calcium te kort. Maar ook als aanvulling wanneer een verhoogd behoefte nodig is, bijvoorbeeld bij kinderen in de groei. Bij het volgen van het ketogeen dieet kan een te kort aan calcium voorkomen. Cacit is verkrijgbaar in bruistabletvorm van 500 en 1000mg.

Carnitine

Carnitine is verkrijgbaar onder de naam Carnitene in tabletten van 330 mg en richtlijndosering en gebruik is 2 x 1-2 tabletten half uur voor of twee uur na de maaltijd met water, tenzij door de kinderarts anders wordt geadviseerd.

Vetten

Omdat vetten zo belangrijk zijn bij de ketogene diëten vindt u hier (ingewikkelde) achtergrond informatie over vetten.

Is al dat vet wel gezond?

Er is er tegenwoordig veel aandacht voor de ongezonde aspecten van verzadigde vetten en een te hoge vetinname. Aan de andere kant is er ook veel aandacht voor omega 3 en 6 vetzuren (zoals in visolie en margarine en halvarine soorten) omdat deze een gezondheidbevorderend effect (zouden) hebben.

Het is begrijpelijk als u zich afvraagt of een dieet met zoveel vet wel gezond is voor uw kind. Ook de vraag welke vetten u het beste kunt gebruiken ligt voor de hand. Mensen in uw omgeving zullen deze vragen mogelijk aan u stellen. In de stukken hieronder vindt u antwoorden.

Wat is vet?

Wat precies bedoelt wordt met de aanduiding “vetten” verschilt soms. Extra verwarrend is dat in plaats van over “vetten” soms ook over “lipiden” wordt gesproken.

De naam “lipiden” wordt vaak gebruikt als verzamelnaam voor vetten en vetachtige moleculen die als overeenkomst hebben dat zij niet in water maar wel in alcohol oplosbaar zijn. Voorbeelden van soorten lipiden zijn fosfolipiden, triglyceriden en sterolen.

Met vetten zelf worden meestal de triglyceriden, zowel in voedsel als in het lichaam, bedoeld. In het ketogeen dieet zijn deze triglyceriden belangrijk als energiebron. Ze zijn opgebouwd uit één glycerolmolecule met daaraan verbonden 3 vetzuren. Vetten in voeding bestaan voor 95% uit triglyceriden. (Whitney 2002 p.130, Enig 2003 p.268, 283)

http://www.oliveoilsource.com/images/triglyceride.jpg

De functie van vet (in het lichaam)

Vetten hebben in het lichaam verschillende functies:

  • Energiebron: Van alle voedingsstoffen leveren de vetten de meeste calorieën op: 9 kcal per gram gewoon (LCT) vet en 8,3 kcal per gram MCT-vet
  • Isolatie: verwarming van het lichaam
  • Bescherming: een vetlaagje beschermt vitale organen in de buikholte
  • Opslag en transport van energie en voedingsstoffen zoals de vet oplosbare vitamines A, D, E en K
  • Onderdeel van weefsels

Vetbehoefte

Bij een normaal voedingspatroon zijn er aanbevelingen over de hoeveelheid energie uit vet die voor kinderen gewenst is:

  • Kind van 0 – 5 maanden; 45% – 50% van de dagelijkse energie
  • Kind van 6 – 11maanden; 40% van de dagelijkse energie
  • Kind van 1 -3 jaar; 25% – 40% van de dagelijkse energie
  • Kind van 4 -18 jaar; 20% – 35% van de dagelijkse energie (Nevotabel, 2006)

Bij het klassiek ketogeen dieet wordt de totale energie voor 90% door vet geleverd.(Kossoff 2008)

Bij het Modified Atkins is dit 60% (Kang, 2007) en in het MCTdieet 71%. (Hurk, 2007)

Gezondheidsaspecten

  • Bij het ketogeendieet stijgt het triglyceride gehalte van het bloed.
  • Het cholesterolgehalte kan stijgen maar stabiliseert na verloop van tijd vaak op normale waarden.
  • Groesbeck rapporteert ook normalisatie van de andere waardes voor bloedlipiden bij langdurig gebruik van het dieet (meer dan 2 jaar).
  • Een verhoging van de lipidenwaardes bij een normaal voedingspatroon kan op de lange termijn ongunstig zijn voor hart- en vaatziekten.
  • Er bestaat geen informatie over de gevolgen voor gebruikers van het ketogeen dieet.
  • Regelmatige controle van onder andere cholesterol en triglyceriden door de behandelend specialist wordt aangeraden
    (Groesbeck 2006, Kossoff, 2008)

De mening van de EVN:

Over het algemeen wordt het ketogeen dieet niet meer dan twee tot drie jaar gevolgd. Het meeste vet wordt gebruikt als energiebron, het wordt dus niet opgeslagen in het lichaam. Het is niet de bedoeling dat het kind dikker wordt van het dieet. Vanwege deze redenen worden ernstige gezondheidsrisico’s op hart- en vaatziekten waarschijnlijk beperkt.
Verder is het zinvol om het volgende te bedenken:

  • Het ketogeen dieet wordt over het algemeen gegeven aan kinderen waarbij verschillende medicijnen zonder voldoende succes zijn geprobeerd.
  • Deze kinderen ondervinden veel hinder van hun epilepsie. Hun kwaliteit van leven kan (mede) hierdoor als slechter gezien worden.
  • De kindertijd is de belangrijkste periode voor de ontwikkeling van een persoon. De basis wordt gelegd voor de mogelijkheden die iemand voor de rest van het leven heeft. Daarom vinden wij dat de mogelijke nadelen op de lange termijn opwegen tegen de voordelen wanneer aanvalsreductie wordt bereikt. Een goede begeleiding en regelmatige controle van diverse waardes is noodzakelijk om gezondheidsrisico’s voor de lange termijn zo veel mogelijk te voorkomen.

Vertering en absorptie

Voedingstoffen moeten in de darm worden opgenomen door de darmcellen en afgegeven worden aan het bloed voordat ze hun functie in het lichaam kunnen uitoefenen. In het bloed worden de voedingsstoffen getransporteerd naar en afgegeven aan cellen waar ze nodig zijn.

Wanneer vetzuren in de dunne darm terecht komen wordt de afgifte van het hormoon cholecystokinine (CCK) gestimuleerd. Dit hormoon geeft een signaal aan de galblaas om gal aan de dunne darm af te geven.

Door de gal worden vetten geëmulgeerd, dat wil zeggen dat het vet verdeeld wordt in kleine druppeltjes.

Tegelijkertijd wordt door de alvleesklier (pancreas) lipase afgescheiden, een stof die er voor zorgt ervoor dat triglyceriden geplitst worden in monoglyceriden (glycerol met een vetzuurstaart) en 2 vrije vetzuren. Samen met gal vormen deze monoglyceriden en vetzuren zogenaamde micellen. De micellen zijn een transportmiddel om opname van monoglyceriden en vetzuren door de darmwand mogelijk te maken. Wanneer vetzuren zijn opgenomen door de cellen in de darmwand hangt het onder andere van hun ketenlengte af op welke wijze ze aan het bloed worden afgegeven.

Samen met de vetzuren worden ook vetoplosbare vitamine opgenomen.

Korte en middellange keten vetzuren

Middellange- en korte keten vetzuren worden gemakkelijk in de dunne darm opgenomen en direct doorgegeven aan het bloed in de poortader. (Whitney 2002). Ze passeren dan gelijk de lever waar ze verwerkt worden. De vetabsorptie van MCT emulsies verloopt op deze manier.

Middellange en korte keten vetzuren hebben geen invloed op het plasmalipide gehalte en worden nauwelijks opgeslagen in het vetweefsel (Garrow 2000).

Lange keten vetzuren

Lange keten vetzuren kunnen niet direct worden doorgegeven aan het bloed. In de darmcel worden ze met triglyceriden, fosfolipiden, cholesterol en bepaalde proteïnen omgevormd tot “lipoproteinecomplexen”. Deze worden chylomicronen worden genoemd.

Chylomicronen zijn het transportmiddel voor (onder andere) lange keten vetzuren. Vanuit de darmen komen ze eerst in het lymfestelsel en dan in het bloed.  Ze bereiken de lever dus via een langere weg. De lever zorgt voor verdere afbraak en opname in het bloed. (Whitney 2002, de Wijn 1994)

Vetverbranding

Vetverbranding vindt plaats in het mitochondrium. Het mitochondrium is de “energiecentrale” van de cel. De verbrandingsprocessen die hier plaatsvinden zijn afbraak en oxidatie van vetzuren.

Lange keten vetzuren worden niet makkelijk opgenomen in het mitochondrium omdat ze zonder hulpmiddel niet door de wand (het binnenmembraan) van dit mitochondrium heen kunnen.

Een transportmechanisme is nodig. Dit is carnitine, een stof die normaal gesproken door het lichaam voldoende wordt geproduceerd.

Bij gebruikers van ketogene diëten op basis van lange keten vetzuren (klassiek ketogeen en modified Atkins) is het soms noodzakelijk om carnitine als supplement te geven.

Hoewel de carnitine spiegel in het bloed vastgesteld kan worden is er is te weinig bekend over de betekenis hiervan voor een optimale verbranding van lange keten vetzuren bij het ketogeen dieet.

Wanneer geen optimale ketose bereikt kan worden, wanneer het kind erg lusteloos is of wanneer de effecten van het dieet afnemen is het zinvol om suppletie van carnitine met de arts te bespreken. Er zijn geen schadelijke bijwerkingen van carnitine suppletie bekend. (Kossoff 2008).
Voor de opname van middenlange keten vetzuren is geen transportmechanisme nodig. Daarom is carnitine suppletie bij een MCT dieet niet nodig.

In het mitochondrium worden de vetzuren gesplitst in acetyl CoA moleculen. Dit proces heet bètaoxidatie. De acetyl CoA moleculen worden in de citroenzuurcylcus (ook Krebs-cyclus of tricarboxylic acid (TCA) cycle) verder afgebroken waardoor ATP (energie) of ketonlichamen worden gevormd. (Whitney 2002, Kossoff 2008)

Ketonlichamen

Ketonlichamen worden gevormd door afbraak van vetten wanneer glucose niet beschikbaar is. Eerst worden vetzuren uit de voeding in de mitochondriën van niet-hersenweefsel geoxideerd. Dit levert acetyl-CoA. De lever maakt er 3 soorten ketonlicamen (Acetoacetaat, aceton en β-hydroxybutyraat (beta-hydroxybutyrate). Door dit proces wordt de werking van de citroenzuurcyclus geremd waardoor er nog meer acetyl-CoA vrijkomt en nog meer ketonen.

Ketonen kunnen als energiebron dienen. In de hersenen worden de ketonen weer omgevormd tot acetyl-CoA wat in de Krebscyclus van de hersenmitochondriën leidt tot de vorming van ATP en dus energie voor de hersenen.
(Hartman 2007, Gasior et al 2006, Whitney 2002, Kossoff 2008)

Biochemie vetten

Structuur van vetten en ketenlengte

Vetzuren zijn verschillend in lengte en in structuur. Hierdoor kent elk vetzuur bepaalde specifieke eigenschappen. Aan een triglyceride kunnen verschillende vetzuren zitten. Kokosolie bestaat bijvoorbeeld voor ongeveer 63% uit korte en middenlange ketenvetzuren en voor zo’n 36% uit lange ketenvetzuren. (Enig 2003, p.175)
Onder korte keten vetzuren worden meestal vetzuren verstaan die bestaan uit minder dan 8 koolstof (C ) atomen. Ze zitten van nature in kleine hoeveelheden in botervet, kokosolie en palmpitolie. Ze zijn altijd verzadigd. (zie “Binding”)
Onder middenlange keten vetzuren worden meestal vetzuren verstaan die bestaan uit 8-12 koolstof atomen. Ze komen van nature voor in kokos- en palmolie.
Lange keten vetzuren bestaan uit 14 of meer koolstof atomen. Ze komen als vet en olie voor in vele dierlijke en plantaardige producten.

Binding
De (chemische) binding tussen de koolstof atomen kan volledig zijn of onvolledig. Afhankelijk hiervan spreekt men van verzadigde of onverzadigde vetzuren.

Verzadigde vetzuren
Dit zijn vetzuren zonder dubbele bindingen in de koolstofketen. Hierdoor kan het vet niet makkelijk “oxideren” en treedt niet snel bederf op.

In de voeding zitten verzadigde vetten veel in dierlijke producten en palmolie en kokosolie. Bij kamertemperatuur zijn ze hard. Verzadigde vetten kunnen het risico op hart- en vaatziekten vergroten. Daarom wordt bij een normaal voedingspatroon aanbevolen niet meer dan 10% van de totale energiebehoefte door verzadigde vetten te laten leveren.

Onverzadigde vetzuren
Dit zijn vetzuren met tenminste één dubbele binding in de koolstofketen. Wanneer zuurstof wordt gebonden op de plaats van de dubbele binding treedt oxidatie op. Het vet wordt dan rans en gaat zeepachtig smaken.

Onverzadigde vetten in de voeding zitten vooral in vette vis, olie, noten en zaden. Ze zijn bij kamertemperatuur vloeibaar.  Onverzadigde vetten hebben een cholesterolverlagend effect en kunnen het risico op hart- en vaatziekten verlagen.

Enkelvoudig onverzadigde vetzuren
Bij één dubbele binding spreekt men van een enkelvoudig onverzadigd vetzuur. Oliën zoals raapzaadolie, olijfolie en pindaolie zijn rijk aan enkelvoudig onverzadigde vetzuren.

Meervoudig onverzadigde vetzuren
Bij meer dan één dubbele binding spreekt men van een meervoudig onverzadigd vetzuur. Walnoot-, zonnebloem- en lijnzaadolie zijn rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren. De onverzadigde binding doet zich op twee manieren voor.

Bij een cis-verbinding staan de waterstofatomen ruimtelijk gezien aan dezelfde kant. Door dit type onverzadigde bindingen veranderd de ruimtelijke structuur van een vetzuur. Er ontstaan een of meer knikken in het molecuul.

Transvetzuren
Bij de trans-verbinding in onverzadigde vetzuren staan de waterstofatomen tegenover elkaar. De ruimtelijke structuur is daarom gelijk aan die van verzadigde vetzuren. Transvetzuren ontstaan door het gedeeltelijk harden van plantaardige vetten of oliën. Het kan ook ontstaan bij het frituren van onverzadigde oliën. Ondanks het feit dat transvetzuren onverzadigd zijn kunnen ze de eigenschappen van verzadigde vetzuren bezitten. Studies hebben aangetoond dat ze net zo ongezond of ongezonder zijn dan verzadigde vetzuren. Op de verpakking worden transvetzuren soms vermeld als “geharde plantaardige vetten”. (Enig 2003, p.25)

Omegavetzuren
Omega vetzuren zijn meervoudig onverzadigde vetzuren. Het nummer (3, 6 of 9) geeft aan op welke plaats de eerste dubbele binding zich bevindt, gerekend vanaf de CH3-groep (In voorgaande afbeeldingen van links af). Omega 3 vetzuren zijn meervoudig onverzadigde lange keten vetzuren. DHA en EPA (omega 3 vetzuren) worden gevormd uit alfa-linoleenzuur. Ze spelen een belangrijke rol bij de hersenontwikkeling en het gezichtsvermogen van ongeboren baby’s. Ze spelen ook een belangrijke rol in bepaalde lichaamsprocessen zoals bij de bloedstolling en de afweer, de werking van spieren en de regulatie van de bloeddruk.

Omega 3 vetzuren komen voor met name vette vis (zalm, haring, makreel, paling, sardines en forel) en schaal- en schelpdieren zoals garnalen. Onderzoek heeft aangetoond dat inname van deze vetzuren een gunstig effect heeft op o.a. hart- en vaatziekten, het immuunsysteem, hersenfuncties, depressies en neurologische aandoeningen zoals Alzheimer en de ziekte van Parkinson.

Recent onderzoek richt zich op de veronderstelde anti-epileptogene werking. Ook hebben omega vetzuren een cholesterol verlagend effect in het bloed. (Whitney 2002, p.132)

Omega 6 vetzuren zijn ook meervoudig onverzadigd. De bekendste zijn: Linolzuur, GLA (Gamma Linoleenzuur) en Archidonzuur.

[tabel_vetzuren]

Voor meer info

Bronvermelding

– Dahlin M., Hjelte L., Nilsson S., Amark P., Plasma phospholipid fatty acids are influenced by a ketogenic diet enriched with n-3 fatty acids in children with epilepsy, epilepsia 2007, 73, 199-207
– Enig M.G., Feiten over vetten, het complete basiswerk over de voedingswaarde van oliën, vetten en cholesterol, Arendsveen, 2003
– Fruehrlein B., Rutenberg M., Silver J., Warren M., Theriaque D., Duncan G., Stacpoole P., Brantly M., Differential Metabolic Effects of Satured Versus Polyunsaturated Fats in Ketogenic Diets, 2004, The Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism 89 (4):1641-1645
– Garrow JS e.a., Human Nutrition and Dietetics, Churchill Livingstone, 10e editie 2000
– Gasior M, Rogawski M, Hartman A., Neuroprotective and disease modifying effects of the ketogenic diet, The John M. Freeman Pediatric Epilepsy Center, Johns Hopkins Hospital, Baltimore, Maryland, USA, Behav Pharmacol. 2006 September ; 17(5-6): 431-439
– Groesbeck D., Long-term use of the ketogenic diet in the treatment of epilepsy, The John Freeman Pediatric Epilepsy Center, Department of Neurology and Pediatrics, Developmental Medicine & Child Neurology 2006, 48: 978-981
– Hurk ThAM van den, Louw EJTM van der, Dieetbehandelingsrichtlijn ketogeen dieet voor kinderen met refractaire epilepsie – Evidence-based handleiding voor een multidisciplinaire behandeling, Multidisciplinair Samenwerkingsverband Ketogeen Dieet Nederland, Utrecht, 2007
– Kang HC, Lee HS, e.a. Use of a Modified Atkins Diet in Intractavle Childhood Epilepsy, Epilepsia, 48(1): 182-186, 2007
– Kossoff H., Zupec-Kania B., Vining G., Stafstrom C., Rho M., Pfeifer H.,KLepper J., Kim H., Optimal clinical management of children receiving the ketogenic diet: Recommendations of the International Ketogenic Diet Study Group, Consensus, The Charlie Foundation, and the Practice Committee of the Child Neurology Society, Epilepsia,1-14, 2008
– Scorza F., Cysneiros R., Arida R., Terra-Bustamante V., Albuquerque M., Cavalheiro E., The other side of the coin: Beneficiary effect of omega-3 fatty acids in sudden unexpected death in epilepsy, Epilepsy& Behavior 13 2008, 279-283
– Whitney E., Cataldo C., Rolfes S., Understanding Normal and Clinical Nutrition, sixth edition, Wadsworth, Belmont, 2002
– Wijn JF de, Hekkens WThJM, Fysiologie van de voeding, Bohn, Scheltema & Holkema 1994

Zoetstoffen

Zoetstoffen worden binnen het ketogeen dieet worden gebruikt om ergens een zoete smaak aan te geven. Omdat zoetstoffen ook energie kunnen leveren moet bij het kopen van producten op de gebruikte zoetstoffen en andere koolhydraten gelet worden.

Er zijn heel veel verschillende namen voor soorten koolhydraten en zoetstoffen. Het is niet altijd duidelijk wat voor invloed ze hebben op het dieet. Ongetwijfeld heeft u zich wel eens afgevraagd of het gezond is om al die zoetstoffen te gebruiken

Hier treft een uitleg over de namen en eigenschappen van zoetstoffen.

Sommige ouders hebben de ervaring dat hun kind eigenlijk niet (meer) zo om die zoete smaak geeft. Soms vindt een kind het snoepje of gerecht ronduit “te zoet”. Houdt dit altijd in uw achterhoofd bij de bereiding van maaltijden en gerechten. Als uw kind het gerecht met een minder zoete smaak ook lust waarom zou u dan zoetstof willen gebruiken?

Intensieve zoetstoffen

Intensieve zoetstoffen zijn stoffen, vaak aminozuren, waarin de zoete smaak extreem sterk is. De energetische waarde van intensieve zoetstoffen wordt meestal gelijk gesteld aan nul. Ze leveren wel energie, maar omdat de zoetkracht zo groot is wordt per 100 gram product zo weinig gebruikt dat dit verwaarloosbaar is. Voorbeelden van intensieve zoetstoffen zijn acesulfaam-K, aspartaam, cyclamaat, sacharine en thaumatine.

Intensieve zoetstoffen in het ketogeendieet
Door de verwaarloosbare energiewaarde zijn intensieve zoetstoffen prima geschikt voor het ketogeen dieet.

Producten
Intensieve zoetstoffen worden onder meer toegepast in zoetjes en zoetstof (tabletjes, vloeibaar of in poedervorm), light frisdrank en light toetjes. Bij gebruik van kleine hoeveelheden kunnen deze producten dagelijks worden gebruikt. Met kleine hoeveelheden wordt bedoeld de hoeveelheid die nodig is om de suiker in een product te vervangen. Intensieve zoetstoffen veroorzaken geen tandplak (cariës).

Aspartaam
Aspartaam is een zoetstof bestaande uit twee aminozuren. Over aspartaam wordt veel gediscussieerd. Op internet vindt u vele websites die de onderzoeken naar de veiligheid van aspartaam in twijfel trekken. Soms wordt gesuggereerd dat deze onderzoeken vervalst zijn. Er zijn ook “neutrale” studies van met name wetenschappelijke/ universitaire onderzoekers. In Nederland wordt aspartaam veilig bevonden.

Bij gebruik van aspartaam moet de volgende regel op het product worden toegevoegd: “bevat een bron van fenylanaline”. Dit is verplicht omdat aspartaam voor 40% bestaat uit het aminozuur fenylalanine (wordt ook geschreven als phenylalanine). Dit kan een gevaar opleveren voor mensen met PKU (phenylketonurie). Dit is een erfelijke aandoening waarbij een overschot aan fenylalanine niet kan worden uitgescheiden. In Nederland wordt dit opgespoord bij de hielprik voor pasgeboren baby’s. Alleen deze groep mensen loopt dus een gezondheidsrisico bij het gebruik van aspartaam.

Extensieve zoetstoffen

Met extensieve zoetstoffen worden de polyolen of suikeralcoholen bedoeld. Hun zoetkracht is kleiner of bijna gelijk aan die van suiker, ze veroorzaken geen tandplak (cariës). Polyolen leveren wel energie; gemiddeld 2,4 kcal per gram. Ze worden in de dikke darm gedeeltelijk (ongeveer 1/3) gefermenteerd door bacteriën. Dit levert korte keten vetzuren, deze kunnen de oorzaak zijn van diarree bij gebruik van grote hoeveelheden polyolen. Dit wordt meestal aangegeven op de verpakking. Voorbeelden van polyolen zijn lactitol, mannitol, maltitol, sorbitol, xylitol en isomalt.

Suikeralcohol
De naam suikeralcohol slaat op de chemische samenstelling, het is niet zo dat deze zoetstoffen gemaakt worden uit alcohol of alcohol bevatten.

Polyolen in het ketogeendieet
Bij het ketogeen dieet is het belangrijk om te beseffen dat polyolen wel degelijk koolhydraat energie leveren. Producten die hiermee gezoet zijn mogen dus maar zeer beperkt gebruikt worden. Bij problemen met de ketose is een van de eerste dingen waar u naar moet kijken de hoeveelheid producten die met polyolen gezoet zijn.

Polyolen komen ook in de natuur voor in diverse producten. Sorbitol komt bijvoorbeeld in hoge concentraties voor in pruimen, appels en peren. Xylitol komt in lage concentraties voor in sommige groenten en fruit. Mannitol komt in lage concentraties voor in bladgroenten. Polyolen in groente en fruit zijn opgenomen in het opgegeven aantal koolhydraten, u hoeft hiermee niet apart rekening te houden. Ook voor de maximaal aanbevolen hoeveelheid hoeft u hier geen rekening mee te houden.

Producten

Polyolen werden vroeger vooral gebruikt in producten voor diabetici omdat ze de bloedsuikerspiegel niet of nauwelijks beïnvloeden. Tegenwoordig vindt men het gebruik van polyolen door mensen met type II diabetes niet meer nodig. Polyolen worden nog steeds veel gebuikt in producten voor mensen die op hun gewicht willen letten. Een product gezoet met polyolen mag de aanduiding “zonder suiker” hebben. Polyolen vindt u onder andere in lightproducten en/of producten voor diabetici zoals drop, gebak, koek, chocolade, pudding, ijs en frisdranken).

Hoeveel heb ik nodig?

Als een zoetstof 200 keer zo zoet is als suiker wil dat zeggen dat u er 200 keer minder van nodig hebt. U heeft dan 0,005 x het gewicht van de hoeveelheid suiker uit het recept nodig om een even zoete smaak te krijgen. Als een zoetstof half zo zoet is als suiker wil dat zeggen dat u er 2 keer meer van nodig hebt. U heeft dan 2 x het gewicht van de suiker nodig om een even zoete smaak te krijgen. In sommige recepten wordt suiker gebruikt om het gerecht volume of vorm te geven. Als u hier suiker vervangt door zoetstof komt het product er anders uit te zien dan u gewend bent. Bij de kooktips vindt u manieren om hier mee om te gaan.

E-nummers

Een E-nummer is een nummer dat wordt toegekend aan stoffen die in levensmiddelen worden toegevoegd als additief of hulpstof. Het E-nummer is een Europees keurmerk wat betekent dat de stof uitgebreid is getest en veilig is bevonden voor de beschreven toepassing en hoeveelheid. Een E-nummer zegt niets over de herkomst (natuurlijk of kunstmatig) van de stof. Zoetstoffen zijn in E-nummerlijsten terug te vinden in de rubrieken E950-E967 en E420-E421. Een volledige lijst kunt u downloaden via het Voedingscentrum.

Deze pagina delen