EFMR syndroom 17 november 2012

Bijzondere ontmoeting rondom zeldzaam syndroom

De ouders van zes meisjes met het EFMR syndroom (PCDH19-gen) reisden 17 november jl. af naar het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht voor een bijzondere samenkomst. Samen met klinisch geneticus Eva Brilstra, neuroloog en psychiater voor kinderen Boudewijn Gunning en psycholoog Kristel Pilkes spraken zij over dit zeldzame syndroom waar hun dochters aan lijden. Het gesprek ging onder meer over de overeenkomsten én over de verschillen tussen de meisjes.

‘Epilepsy and mental retardation limited to females’ is de volledige naam van het erfelijke syndroom dat enkele jaren geleden voor het eerst beschreven werd. De naam geeft meteen de belangrijkste kenmerken weer: epilepsie en verstandelijke beperking, uitsluitend bij meisjes/vrouwen. In Nederland zijn inmiddels 12 gevallen bekend, maar er worden steeds meer meisjes ‘gevonden’ met dit syndroom. De oorzaak ligt in een verandering (mutatie) in het PCDH19-gen. Het beeld doet in de eerste levensjaren sterk denken aan het Dravetsyndroom, en veel patiënten hebben aanvankelijk dan ook deze diagnose gekregen. Bij beide syndromen zijn de aanvallen koortsgevoelig en beginnen ze al op heel jonge leeftijd. De MRI laat meestal geen afwijkingen zien.

Milder

Maar er zijn ook verschillen met het Dravetsyndroom. De leeftijd waarop de epilepsie begint is bij het Dravetsyndroom altijd vóór het eerste levensjaar, terwijl dat bij EFMR soms ook later is, bijvoorbeeld op peuter- of kleuterleeftijd. De verstandelijke beperking bij EFMR is vaak milder dan bij het Dravetsyndroom. De vooruitzichten voor wat betreft de epilepsie zijn bij EFMR meestal wat beter. Gedragsproblemen staan daarentegen weer meer op de voorgrond. Er zijn ook verschillen in aanvalstypen. Bij EFMR treden de aanvallen (voornamelijk tonisch-clonisch, later ook complex-partieel) meestal in clusters op: series van opeenvolgende insulten gedurende een of twee dagen. Myoclonieen, absences, en status epilepticus komen bij EFMR minder vaak voor dan bij het Dravetsyndroom.

Verschillen

Op de bijeenkomst in Utrecht werd duidelijk dat de meisjes onderling niet alleen overeenkomsten vertonen, maar ook grote verschillen laten zien. Het ene meisje kan niet praten, terwijl een ander leest, schrijft en rekent. De een heeft al jaren geen aanvallen meer gehad, terwijl een ander om de paar maanden in het ziekenhuis ligt met een cluster. Verschillende meisjes worden helemaal blauw bij een aanval, maar ook dat geldt weer niet voor iedereen. En gedragsproblemen zijn bij sommige meisjes bijna niet te hanteren, terwijl ze bij anderen slechts minimaal aanwezig zijn.

Continue begeleiding

Die gedragsproblemen waren een steeds terugkerend onderwerp van gesprek tijdens de bijeenkomst in Utrecht. Meisjes met EFMR kunnen last hebben van sterk wisselende stemmingen, autistisch gedrag en/of psychotisch gedrag. Een van de ouders had het hele arsenaal aan gedragsmedicatie uitgeprobeerd bij haar dochter. Steeds waren de nadelen (bijwerkingen) groter dan de voordelen. Gedragstherapie lijkt hier de enige optie. Een andere moeder gaf aan dat het gedrag van haar dochter steeds verandert. Dat maakt dat je als ouders hier eigenlijk continu in begeleid moet worden. Want net als je samen met professionals hebt uitgevonden hoe je het beste kunt omgaan met bijvoorbeeld schreeuw- en scheldpartijen van je kind, ontstaat er ineens weer heel ander probleemgedrag en daarmee weer een andere hulpvraag.

Vaardigheden aanleren

Lastig is ook de combinatie van gedragsproblemen met de verstandelijke beperking. Maar psycholoog Kristel Pilkes wierp op dat het op elk verstandelijk niveau mogelijk is om gedragstherapeutisch dingen aan te leren. Neuroloog Boudewijn Gunning noemde het voorbeeld van Pivotal Response Treatment, waarbij je het kind één cruciale vaardigheid aanleert waarvan je vermoedt dat het andere vaardigheden ‘meeneemt’. Op Kinderdagcentra en op Mytyl- en Tytylscholen zouden therapievormen als deze eigenlijk beschikbaar moeten zijn, vond hij. Zelf kunnen ouders heel praktisch aan de slag met een boek als ‘Geef me de vijf’ van Colette de Bruin. Hierin help je je dochter de wereld om haar heen overzichtelijker te maken, en meer samenhang te brengen in alledaagse gebeurtenissen.

‘De Novo’

Behalve voor gedragsproblemen was er tijdens de bijeenkomst aandacht voor de genetische oorzaak van het syndroom. In heldere bewoordingen gaf klinisch geneticus Eva Brilstra toelichting op het ontstaan van PCDH19-mutaties en de gevolgen daarvan voor het brein. De PCDH19-mutatie is voor het eerst beschreven in een familie waarin meerdere vrouwen waren aangedaan. Opvallend was dat exact dezelfde mutatie bij verschillende vrouwen toch een uiteenlopend beeld gaf voor wat betreft de epilepsie en de verstandelijke beperking. Mogelijk spelen andere genen een versterkende of verzachtende rol, maar kunnen bijvoorbeeld ook omgevingsfactoren zoals behandeling het beloop beïnvloeden. De meeste mutaties zijn trouwens ‘de novo’. Dat betekent dat de verandering in het gen voor het eerst ontstaan is bij de patiënt; de ouders zijn geen drager.

Genetische therapie

Het PCDH19-gen is gelegen op het X-chromosoom. Dit chromosoom is bepalend voor het menselijk geslacht. Mannen hebben één X-chromosoom én een Y-chromosoom; vrouwen hebben twee X-chromosomen. Mannen kunnen daarmee wel drager zijn van de PCDH19-mutatie maar het leidt bij hen niet tot epilepsie of andere kenmerken van het syndroom. Dat maakt dat EFMR interessant is met het oog op nog verder te ontwikkelen genetische therapie. Want als het mogelijk is om bij meisjes met EFMR het X-chromosoom met daarop de PCDH19-mutatie uit te schakelen, zullen zij naar verwachting geen ziekteverschijnselen meer vertonen.

Medicatie

Maar zover is het nog niet. Voorlopig worden meisjes met EFMR behandeld met medicatie die bij het Dravetsyndroom ook vaak goed helpt, zoals depakine, topamax, frisium en keppra. Met als verschil dat anti-epileptica die bij het Dravetsyndroom ‘verboden’ zijn (lamictal, tegretol) bij EFMR toch vaak geprobeerd kunnen worden. Ook behandelopties als het ketogeen dieet en nervus vagus stimulatie verdienen volgens Boudewijn Gunning een kans. Met immunoglobuline is in Nederland geen ervaring bij EFMR, maar een van de moeders weet vanuit internationale contacten met andere PCDH19-ouders dat daar in het buitenland soms goede resultaten mee worden geboekt. En zo leverde de bijeenkomst in Utrecht veel informatie op, zowel voor de ouders als voor de professionals.

Meer informatie en lotgenotencontact

Heeft u vragen over het EFMR syndroom? Of bent u op zoek naar lotgenoten? Neemt u dan contact op met de Stichting Dravetsyndroom Nederland/Vlaanderen.

Deze pagina delen