Voorbeelden aanvallen

Gegeneraliseerde aanvallen

Tonisch-clonische aanvallen

Dit zijn aanvallen waarbij een deel van het lichaam, of het hele lichaam, verstijft en vervolgens schokt. Tonisch betekent verstijving of verkramping; clonisch betekent samentrekking van spieren. Een tonisch-clonische aanval kan soms wel een paar minuten duren. Soms lopen kinderen wat blauw aan, omdat doorademen tijdens de tonische fase niet goed mogelijk is. Ook laten sommige kinderen bij de aanval hun urine lopen. Kinderen zijn tijdens deze aanvallen buiten bewustzijn. Na de aanval ademt uw kind weer normaal en valt het in een diepe slaap. Achteraf herinnert het kind zich niets van de aanval.

Alléén schokken van (een deel van) het lichaam – dus zonder verstijving – komt ook voor. Dat wordt een ‘clonische aanval’ genoemd. En er zijn ook aanvallen met alleen verstijven, zonder schokken. Kinderen vallen dan soms als een plank voor- of achterover. Dit zijn ‘tonische’ aanvallen. Kenmerkend voor LGS zijn de nachtelijke tonische aanvallen.

In spreektaal worden tonisch-clonische, tonische en clonische aanvallen vaak ‘grote aanvallen’ genoemd. Deze aanvallen kunnen zowel overdag als ’s nachts optreden. Ze duren meestal enkele minuten.

Afwezigheden (absences)

Bij een absence is het kind één of enkele seconden ‘afwezig’. Het staart en is even niet aanspreekbaar. De absence kan soms ook langdurig zijn en gepaard gaan met schokjes.

Atypische absences

Absences worden ‘atypisch’ genoemd als er eerder sprake is van een veranderd/verlaagd bewustzijn dan een echt bewustzijnsverlies. Bij atypische absences gaan kinderen vaak wel door met hun activiteiten, maar op een sterk vertraagde manier. Het begin en het einde zijn niet abrupt. atypische absences duren ook langer dan ‘gewone’ absences, eerder minuten dan seconden.

Valaanvallen (astatische of atone aanvallen)

Bij een valaanval valt opeens de spierspanning weg. Het kind zakt dan bijvoorbeeld plotseling slap op de grond. ‘Drop attacks’ (letterlijk vertaald: valaanvallen)  is een term die vaak wordt gebruikt bij LGS. Vaak gaan de aanvallen zo snel dat alleen een filmopname kan tonen wat voor aanval het was. Vaak ook is het een mengbeeld van aanvallen. Het resultaat is dat het kind plotseling valt, met een grote kans op verwonding.

Myoclone aanvallen (myoclonieën)

Bij dergelijke aanvallen trekken de spieren in armen of benen samen. Als gevolg daarvan schokken armen of benen. Soms is er slechts één schokje, soms een serie achter elkaar.

Partiële aanvallen

Eenvoudig-partiële aanvallen

Dit zijn aanvallen waarbij het kind volledig bij bewustzijn is, en verschijnselen vertoont die het gevolg zijn van ontladingen in een bepaald deel van de hersenen. Denk aan trekkingen in een arm, prikkelingen in een been, zien van flikkeringen.

Complex-partiële aanvallen

Bij dit soort aanvallen reageert het kind niet normaal, en laat het uiteenlopende verschijnselen zien. Zo kunnen de ogen en het hoofd naar een kant wegdraaien. Maar er kunnen ook andere verschijnselen optreden, zoals smakken, wriemelen met de vingers en/of doelloos rondlopen.

Bij een complex partiële aanval is uw kind niet helemaal bij bewustzijn. Tijdens dergelijke aanvallen zijn verschillende hersenfuncties verstoord. Als uw kind zo’n aanval heeft, is het wat ´afwezig´ en zit het bijvoorbeeld te wriemelen en te smakken.Aura’s en prodromen: waarschuwingen vooraf

Sommige mensen krijgen kort voor zij een aanval krijgen een voorgevoel. Bijvoorbeeld een vreemd gevoel in hun maag, of het zien van lichtflitsen of het horen van vreemde geluiden. Dit wordt een aura genoemd. Een aura is eigenlijk een partieel (plaatselijk) begin van een aanval. Soms zijn er al dagen van te voren aanwijzingen dat er een aanval ‘op komst’ is. Iemand heeft dan buikpijn, voelt zich niet zo lekker, of heeft hoofdpijn. Deze verschijnselen worden ‘prodromen’ genoemd.

Aura’s en prodromen: waarschuwingen vooraf

Sommige mensen krijgen kort voor zij een aanval krijgen een voorgevoel. Bijvoorbeeld een vreemd gevoel in hun maag, of het zien van lichtflitsen of het horen van vreemde geluiden. Dit wordt een aura genoemd. Een aura is eigenlijk een partieel (plaatselijk) begin van een aanval. Soms zijn er al dagen van te voren aanwijzingen dat er een aanval ‘op komst’ is. Iemand heeft dan buikpijn, voelt zich niet zo lekker, of heeft hoofdpijn. Deze verschijnselen worden ‘prodromen’ genoemd.

Bijzondere situaties

Status epilepticus

Als een epileptische aanval langer duurt dan 30 minuten of wanneer de patiënt tijdens de aanvallen niet meer bij bewustzijn komt, is er sprake van status epilepticus. Tegenwoordig spreken we al na vijf minuten van een ‘dreigende’ status epilepticus. Op dat moment moet u al ingrijpen en proberen de aanval te stoppen. Een status epilepticus kan levensbedreigend zijn.

Non-convulsieve status epilepticus (NCSE)(schemertoestand)

Non-convulsief betekent dat er geen spiertrekkingen (convulsies) zijn. Bij een NCSE heeft het kind meestal een mengbeeld van absences, atone aanvallen, tonische aanvallen en myoclonieën. Het bewustzijn is daarbij vaak sterk verlaagd. Daarom wordt het ook wel schemertoestand genoemd. Het kind is traag, maar niet volledig buiten bewustzijn. Er is geen goed contact mogelijk.

Het komt ook voor dat een dergelijke status bestaat uit voornamelijk atypische absences met bijvoorbeeld slechts een enkele spierschok. Dan kan het moeilijk zijn om de status te herkennen zonder dat er gelijktijdig een EEG wordt gemaakt.

Deze pagina delen