Diagnose en onderzoeken

De diagnose epilepsie wordt in het ziekenhuis gesteld door een neuroloog, kinderneuroloog of kinderarts.

De diagnose is de basis voor verder handelen. Het is daarom van groot belang dat er een goede diagnose wordt gesteld. Bij epilepsie wordt doorgaans medicatie voorgeschreven die gedurende een lange tijd, vaak levenslang gebruikt moet worden. Daarnaast kan het voor de keuze van medicatie van belang zijn of er sprake is van een bepaald epilepsiesyndroom. Sommige  anti-epileptica zijn juist wel of juist niet geschikt bij een bepaalde soort epilepsie.

Welke vragen komen aan de orde?

  • gaat het om epileptische aanvallen?
  • om wat voor soort aanvallen gaat het?
  • is er een verklaring of een oorzaak?
  • is er sprake van een bepaalde soort epilepsie of epilepsiesyndroom?

Officieel spreekt men bij één aanval nog niet over epilepsie. Dat kan veranderen als er tenminste twee aanvallen zijn geweest en als de beschrijving van ‘het voorval’ past bij de diagnose epilepsie.

Onderzoeken om de diagnose epilepsie te kunnen stellen

  • Het verhaal van de patiënt zelf (anamnese). Dit is vaak onvoldoende, omdat de patiënt tijdens de aanvallen meestal een bewustzijnsstoornis heeft.
  • Het verhaal van omstanders is daarom veel belangrijker (hetero-anamnese).
    Wat gebeurde er precies toen de aanval zich voordeed? Hoe zag het er uit? En hoe lang duurde het? Waren er bijzondere omstandigheden, was er sprake van koorts?
  • EEG (Elektro-encefalogram). Bij dit onderzoek wordt de elektrische activiteit van de hersenen geregistreerd (hersenfilmpje). Er zijn verschillende soorten EEG’s.

De meest voorkomende EEG’s

  • Standaard EEG. EEG staat voor elektro-encefalogram. Bij dit onderzoek wordt de elektrische activiteit van de hersenen gemeten. Hiermee kan de diagnose epilepsie in veel gevallen worden bevestigd, maar niet altijd. Tussen de aanvallen door hoeft het EEG namelijk geen afwijkingen te laten zien. Bij een EEG wordt een aantal elektrodes op vaste plekken op de hoofdhuid bevestigd.
  • Slaap-EEG. Wanneer een standaard EEG onvoldoende gegevens voor een arts oplevert, kan een EEG tijdens de slaap worden gemaakt. Vooral bij mensen die tijdens hun slaap aanvallen hebben, kan dit EEG afwijkingen laten zien die in een standaard EEG niet worden gevonden.
  • EEG na slaaponthouding. Hierbij moet de patiënt de gehele nacht wakker blijven. De volgende ochtend wordt (terwijl hij/zij in diepe slaap valt) een EEG gemaakt. Op deze manier kunnen aanvallen worden uitgelokt.
  • 24-Uurs EEG (cassette-EEG). 24-uurs registratie met behulp van een kleine cassetterecorder die de signalen van het EEG opvangt. Iemand kan met dit apparaatje vrij rondlopen (thuis of in het ziekenhuis).

Aanvullende onderzoeken

  • MRI-scan (Magnetic Resonance Images). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een magneetveld en radiogolven.
    Met een MRI-scan worden de hersenen in beeld gebracht. De arts kan dan zien of er eventueel in de hersenen een beschadiging is, of een litteken(tje), een aanlegstoornis of een tumor.
  • Functionele MRI. Met deze vorm van een MRI-scan wordt het gebied in de hersenen dat spraak- en motorische functies aanstuurt, duidelijk. Dat kan nodig zijn wanneer daar wordt geopereerd.
  • MEG-onderzoek (Magneto-Encefalo Gram). Meet de magnetische signalen die door hersencellen worden gemaakt wanneer ze actief zijn.
  • CT-scan. Een CT-scan van de hersenen is een serie röntgenfoto’s waarop we dwarsdoorsneden van de hersenen kunnen zien. Op deze foto’s kan de arts afwijkingen zien in het hersenweefsel of in de bloedvaten in de hersenen.
  • Een PET-scan meet de stofwisseling in de hersenen. Via een injectie in uw arm wordt een radioactief materiaal toegediend. De uitslag kan een aanwijzing geven voor de plaats van de epilepsiehaard.
  • Bij een SPECT-scan wordt de doorbloeding in delen van de hersenen gemeten na inspuiten van een radioactief materiaal. Er kan in enkele gevallen gebruik gemaakt worden van een SPECT-scan tijdens een aanval.
  • EMSI omvat een combinatie van EEG, MEG en MRI.
  • Cardiologisch onderzoek. Hartritmestoornissen kunnen bijvoorbeeld aanvallen oproepen, die aan epileptische aanvallen doen denken, maar het niet zijn.
  • Neuropsychologisch onderzoek. Dit gebeurt als er zich naast de aanvallen andere klachten voordoen zoals geheugen, aandachtsstoornis, concentratie, leren en op het taalvermogen.
  • Stofwisselingsonderzoek. Via onderzoek van bloed en urine kan de arts vaststellen of er problemen zijn in de stofwisseling. Met stofwisseling worden biochemische processen bedoeld die plaatsvinden in de cellen.
  • Familieonderzoek. Een soort stamboomonderzoek om te kijken of er elders in de familie epilepsie voorkomt.
  • Genetisch onderzoek. De behandelaar laat soms onderzoeken of een verandering in het erfelijke materiaal (dus in de chromosomen of in het DNA) de oorzaak is van de problemen van uw kind. Dit onderzoek vindt plaats bij een klinisch genetisch centrum. Hiervoor is het nodig om een paar buisjes bloed bij uw kind af te nemen. De uitslag van dit onderzoek kan enkele weken tot maanden duren.

Deze pagina delen